BJZ0210

 

Inleiding

Tijdens het tweede jaar van bijna zeven jaren ondertoezichtstelling, bewerkte de gezinsvoogd vijf keren een begeleid omgangscontact tussen klager en zijn kinderen, dat steeds maximaal drie kwartieren duurde. Na druk van de gezinsvoogd, en met de verzekering dat opstarten van de omgang makkelijk zou zijn, berustte klager in "rust voor de kinderen".
Bijna vier jaar na het laatste contact, nadat in kort geding en ook in appèl een sanctie was uitgesproken, nadat het verzoek van moeder om de omgang van één woensdagmiddag per maand onder begeleiding te schorsen ook in appèl was afgewezen, diende vader een klacht in tegen de medewerkers van Bureau Jeugdzorg.
De interne klachtencommissie knipte in haar beslissing de klacht in drieën, en verklaarde het tweede deel gegrond. In appèl bevestigde de Interprovinciale Klachtencommissie deze beslissing, er aan toevoegend toe dat klager nog meer geduld moest betrachten.


INTERPROVINCIALE KLACHTENCOMMISSI E JEUGDZORG

Oordeel over de klacht van de heer Klager te T, hiermee aangeduid als klager, tegen de Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (later: Bureau Jeugdzorg) te A, hierna aangeduid als de stichting.

1. Procesverloop

Het secretariaat heeft op ii juli 2002 de klacht d.d. ii juli 2002 ontvangen. De nadere motivering van de klacht is ontvangen op ii september 2002.
De interne klachtencommissie heeft de ingediende klachten behandeld tijdens de hoorzitting op ii juni 2002 en is op ii juni 2002 tot een oordeel gekomen.
De mededeling van de directeur van de stichting is gedateerd op ii juni 2002.
De opvatting van de stichting over de klacht is ontvangen op ii september 2002.
De besloten hoorzitting is gehouden op vrijdag ii oktober 2002 te A.
Klager is met zijn vrouw in persoon verschenen, bijgestaan door de heer Rrrr, vertrouwens-persoon.
De stichting is vertegenwoordigd in de personen van de heer GV, gezinsvoogd, en de heer PL, praktijkleider.

2. Feiten

Klager is gehuwd geweest met mevrouw Hhhh (verder te noemen: moeder). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten D1991 en Z1993.
In 1996 is de echtscheiding uitgesproken. Moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen zijn op ii maart 1996 onder toezicht gesteld van de stichting.
Op ii januari 1998 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de kinderen en hun vader, klager, van eenmaal per maand een woensdagmiddag onder begeleiding van de gezinsvoogd.
Sinds december 1998 heeft klager geen omgang meer gehad met zijn kinderen. Er is op dat moment sprake geweest van een bewuste keuze van klager, gemaakt in overleg met de toenmalige gezinsvoogd. Deze keuze is gemaakt in de verwachting dat na een onderbreking, in de toekomst een normale omgangsregeling zou kunnen worden uitgevoerd. Nu dat niet is gebeurd, voelt klager zich misleid.

In kort geding heeft de rechtbank op ii januari 2001 uitgesproken dat er omgang tot stand dient te komen tussen vader en zijn kinderen. Tevens wordt de moeder veroordeeld om haar medewerking hieraan te verlenen.

De stichting heeft de volgende gezinsvoogden ingezet: in 1997 mevr. GV1, 1998 mevr. GV2 (vervangend gezinsvoogd), in 2001 mevr. GV3, praktijkbegeleidster, en mevrouw KKKK.. De heer GV4 is vanaf december 2001 de gezinsvoogd.

3. De inhoud van de klacht

De kern van de klacht is als volgt geformuleerd: "Achtereenvolgende gezinsvoogden van de stichting hebben zich onvoldoende ingespannen om aan de door de rechtbank bepaalde en in verscheidene procedures steeds bekrachtigde omgangsregeling van eenmaal per maand onder begeleiding van een gezinsvoogd uitvoering te geven."

Tijdens de hoorzitting is de klacht met instemming van klager beperkt tot de inzet van de stichting in de periode vanaf december 2001 tot 11 juni 2002, de datum van de uitspraak van de interne klachtencommissie, i.c. de periode waarin de heer GV4 als gezinsvoogd fungeerde.

4. De bevindingen van de commissie

Op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Wet op de jeugdhulpverlening is de commissie bevoegd een oordeel te geven over de klachten gericht tegen de mededeling van de directeur naar aanleiding van het oordeel van de interne klachtencommissie.

De interne klachtencommissie acht de klacht voor de periode december 2001 tot juni 2002 ongegrond. Deze commissie is overtuigd van een actieve opstelling van de huidige gezinsvoogd, de heer GV4, die erop is gericht om de vastgestelde omgang te effectueren. De directeur van de stichting heeft in de brief van ii juni 2002 meegedeeld dat hij zich aan het oordeel van de interne klachtencommissie conformeert en het nemen van maatregelen terzake overbodig acht gelet op de actieve inzet van de huidige gezinsvoogd om de door de rechter opgelegde omgangsregeling mee mogelijk te maken.

De commissie hecht eraan te benadrukken dat het uitsluitend beoordelen van de handelwijze van de stichting in de periode vanaf december 2001 tot heden in de beleving van klager een scheef beeld kan geven. De commissie is zich ervan bewust dat de in het verleden geuite beschuldigingen door moeder, de minimale omgang en de stopzetting van de omgang met zijn kinderen, bij klager diepe wonden heeft geslagen.

De vraag die beantwoord moet worden, is of de stichting dan wel de huidige gezinsvoogd zich voldoende heeft ingezet om de omgangsregeling, waaraan moeder weigert haar noodzakelijke medewerking te verlenen, weer op gang te brengen.
Het door de stichting ingezette beleid richt zich op het bewerkstelligen van draagvlak bij de kinderen en bij de moeder om tot een genormaliseerde omgang tussen vader, klager, en beide kinderen te komen. Tijdens de hoorzitting heeft de gezinsvoogd aangegeven dat de contacten qua tijdsbesteding het dubbele zijn geweest ten opzichte van de gebruikelijke contacten. Dit heeft er onder meer in geresulteerd dat er contact tussen klager en zijn Z1993 tot stand is gekomen.
De commissie merkt op dat het bewerkstelligen van bereidheid bij zowel de kinderen als bij moeder veel tijd kost. Hoewel begrijpelijk, is de commissie van mening dat de klacht van klager over het optreden van de huidige gezinsvoogd voortkomt uit ongeduld, nu klager - op een kortere periode na - reeds meer dan zes jaar geen geregeld omgangscontact heeft gehad met zijn kinderen. De gedurende een periode van jaren ontstane situatie kan echter, nu moeder niet goed aanspreekbaar is op haar verantwoordelijkheid, niet in enkele maanden worden rechtgezet.
Wellicht zou klager een positieve impuls aan de voortgang kunnen geven als hij in staat zou zijn het ongeduld om te zetten in een nog betere ondersteuning van de aanpak en inzet van de huidige gezinsvoogd.
De commissie is samenvattend van oordeel dat de gezinsvoogd, onder de gegeven omstandigheden, een juiste aanpak heeft gekozen. Deze aanpak echter vergt tijd en zal naar de commissie verwacht in de nabije toekomst meer vruchten moeten gaan afwerpen.

De klacht is op dit onderdeel dan ook ongegrond.
Een aandachtspunt voor de stichting is de communicatie in de richting van klager. Tijdens de zitting is gebleken dat de communicatie qua informatieverschaffing ook de laatste tijd niet volledig is geweest, althans door klager als onvoldoende is ervaren. De commissie adviseert de stichting voortdurend aandacht te blijven geven aan dit aspect van het werk.

5. Oordeel

De commissie acht de klacht over het gebrek aan inzet van de stichting om de omgangsregeling weer op gang te brengen in de periode vanaf december 2001 tot ii juni 2002 ongegrond.

Aldus geoordeeld op vrijdag ii oktober 2002 door mr. Dddd, voorzitter, drs. Tttt en drs. Bbbb, leden, in tegenwoordigheid van mevrouw Wwww, secretaris.