BEW0302
Inleiding.
Met medeweten en
instemming van de inmiddels ingeschakelde voogdij-instelling, vertrekt een
gescheiden moeder met Z1992 naar een onbekend adres. Zij vraagt aan de gemeente
om geheimhouding van haar adres. De vader, die met het gezag is belast, wendt
zich tot de gemeente met een verzoek om afgifte van de nieuwe adresgegevens.
Zijn verzoek wordt afgewezen.
Het bezwaar tegen de afwijzing wordt ongegrond verklaard op grond van de gekunstelde
overweging dat de man op basis van een tussenbeschikking van de kinderrechter
in de gelegenheid is om zich periodiek op de hoogte te stellen van het welzijn
van zijn zoon. Aldus wordt het gezag van de niet met de verzorging belaste
ouder sluipend uitgekleed.
--- ----- ------- -----
Gemeente Boxmeer
Advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften inzake het bezwaarschrift van de heer Ttttt te Bbbb tegen het besluit van burgemeester en wethouders tot weigering van de adresgegevens van zijn zoon Z1992.
Voorgeschiedenis
De heer Ttttt is gehuwd geweest met mevrouw Hhhhh. Zij hebben een in 1992
geboren zoon, genaamd Z1992. In december 2000 zijn de heer Ttttt en mevrouw
Hhhhh gescheiden. De vrouw is met Z1992 aanvankelijk elders in Bbbb gaan wonen.
Naar aanleiding van spanningen tussen de voormalige echtelieden is mevrouw
Hhhhh per ii oktober 2002 vertrokken naar een andere gemeente. Met het oog
op haar vertrek heeft mevrouw Hhhhh bij brief van ii augustus 2002 aan de
gemeente verzocht haar nieuwe adresgegevens geheim te houden.
Bij brief van ii september 2002 heeft de heer Ttttt burgemeester en wethouders verzocht hem de nieuwe adresgegevens van Z1992 te verstrekken. Hij heeft aangegeven deze informatie nodig te hebben, omdat hij naast de moeder belast is met het gezag over Z1992. Volgens de heer Ttttt blokkeert de moeder elke omgang tussen vader en zoon. Daardoor is hij niet in staat zijn gezagstaak inzake Z1992 te vervullen.
Bij besluit van ii september 2002 hebben burgemeester en wethouders de verstrekking van de gevraagde gegevens geweigerd. Zij hebben daartoe gesteld dat mevrouw Hhhhh nadrukkelijk heeft verzocht de nieuwe adresgegevens van haar en Z1992 niet aan hem te verstrekken.
Bij brief van ii oktober 2002 heeft de heer Ttttt (hierna te noemen: reclamant) op grond van de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van ii september 2002.
De bezwaren
Voor het bezwaar wordt verwezen naar het bezwaarschrift van ii oktober 2002,
dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies en hier te zijn ingelast.
Het verweer
Voor het verweer van burgemeester
en wethouders wordt verwezen naar het verweerschrift van ii november 2002,
welk stuk wordt geacht deel uit te maken van dit advies en hier te zijn ingelast.
De procedure
Het bezwaarschrift is behandeld in een vergadering van de commissie voor bezwaar-
en beroepschriften op ii december 2002. Het verslag van de vergadering is
aangehecht.
Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de commissie (via tussenkomst van
burgemeester en wethouders) aan reclamant en mevrouw Hhhhh verzocht hun standpunten
schriftelijk toe te lichten, bij voorkeur onder overlegging van relevante
rechterlijke beslissingen. Reclamant en de advocaat van mevrouw Hhhhh hebben
voldaan aan dit verzoek. De desbetreffende brieven zijn aangehecht.
De overwegingen
In deze procedure is aan de orde de vraag of burgemeester en wethouders terecht
en op goede gronden hebben geweigerd aan reclamant de nieuwe adresgegevens
van zijn zoon Z1992 te verstrekken.
Reclamant heeft in
het bezwaarschrift op de eerste plaats aangevoerd dat burgemeester en wethouders
zich met de weigering van de adresgegevens van Z1992 schuldig maken aan een
strafbaar feit. Het college verhindert namelijk dat reclamant de ingevolge
het Burgerlijke Wetboek op hem rustende gezagstaak kan vervullen.
Voorts heeft reclamant opgemerkt dat ook uit de verschillende rechterlijke
procedures blijkt dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld zijn gezagstaak
te verrichten. Zo heeft de rechter onder meer afwijzend beslist op een verzoek
van mevrouw Hhhhh om haar te belasten met het eenhoofdig gezag.
Burgemeester en wethouders hebben in het verweerschrift betoogd dat zij op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) in beginsel verplicht zijn een verzoek om geheimhouding te honoreren. Het maken van een uitzondering is in bepaalde gevallen mogelijk, indien althans de verstrekking geen onevenredig nadeel berokkent aan de persoonlijke levenssfeer van de persoon die gevraagd heeft om geheimhouding van gegevens. In verband daarmee heeft het college de belangen van reclamant, mevrouw Hhhhh en Z1992 afgewogen.
Het college heeft meegedeeld rekening te hebben gehouden met het feit dat de rechterlijke beslissingen die bij de gemeente bekend zijn, niet wijzen in de richting van rechtstreekse contacten tussen reclamant en zijn zoon. Reclamant kan zich voor vragen over Z1992 laten informeren door de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant. Deze instantie is belast met de gezinsvoogdij. Het verstrekken van de adresgegevens kan de hulpverleningstrajecten die in samenhang met rechterlijke procedures in ontwikkeling zijn, doorkruisen. Aldus kan naar de mening van het college onevenredig nadeel ontstaan voor de persoonlijke levenssfeer van mevrouw Hhhhh en Z1992.
De commissie overweegt als volgt. Zij wil vooropstellen dat zij zich onthoudt van een oordeel omtrent de aantijgingen die in onderlinge richting zijn geuit door reclamant en mevrouw Hhhhh. Met het college vindt de commissie dat het verloop van de rechterlijke procedures die tussen reclamant en mevrouw Hhhhh worden gevoerd, erop wijst dat in dit geval moet worden vastgehouden aan de regel dat over een persoon geen gegevens uit de GBA aan een derde worden verstrekt indien een geheimhoudingsindicatie voorkomt op de persoonslijst. Zulks klemt te meer, aangezien de commissie in haar oordeelsvorming mede heeft kunnen betrekken de inhoud van de na de hoorzitting van ii december 2002 gewezen tussenbeschikking van de rechtbank Den Bosch van ii januari 2003 over de omgangsregeling en het gezag betreffende Z1992.
De commissie constateert dat de kinderrechter grote zorg heeft uitgesproken over de gespannen verhoudingen tussen reclamant en mevrouw Hhhhh met alle nadelige gevolgen vandien voor de ontwikkeling van Z1992. De kinderrechter heeft kenbaar gemaakt het belangrijk te achten dat er een goed contact plaatsvindt tussen Z1992 en zijn vader. Dat contact zich zal echter zorgvuldig moeten ontwikkelen. Daarom heeft de kinderrechter een omgangsregeling vastgesteld in dier voege dat reclamant met ingang van ii februari 2003 eenmaal per drie weken op het kantoor van de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant en onder begeleiding van een gedragskundige contact met Z1992 mag hebben.
De commissie is van oordeel dat vorenbedoelde tussenbeschikking van de rechtbank Den Bosch aan reclamant de gelegenheid biedt zich periodiek op de hoogte te stellen van het welzijn van Z1992 en invulling te geven aan zijn taak als gezagsouder. Het verstrekken van de adresgegevens van Z1992 is in elk geval tegen de achtergrond van de tussenbeschikking van de rechtbank niet noodzakelijk voor de uitoefening van het gezag.
Samenvattend komt de commissie tot de conclusie dat het bestreden besluit tot weigering van de adresgegevens in stand kan blijven.
Advies van de commissie
De commissie adviseert burgemeester en wethouders het bezwaarschrift van de
heer Ttttt ongegrond te verklaren.
ii februari 2003
de secretaris, de voorzitter,