BEW0207

 

Inleiding.

Een vader vroeg aan de Gemeente Eindhoven om de scholen waarop zijn kinderen zijn ingeschreven. Namens de Gemeente weigerde de leerplichtambtenaar die informatoe te verstrekken met als argument dat verstrekken van die informatie niet in het belang van het kind werd geacht.
Later werd dit argument om-verwoord naar strijd met het belang van het kind, waarmee het in ieder geval binnen de wettelijke vereisten zou passen.
Een eerste klacht werd gegrond verklaard (BEW0105), de afdoening van die klacht leverde een nieuwe klacht op, die ook aan de ombudskamer van de Gemeente werd voorgelegd.
Over het geheel genomen verklaarde de ombudskamer de klacht gegrond, al plaatste zij op onderdelen kanttekenigen.
Een bezwaar tegen het besluit van B&W werd niet ontvankelijk verklaard. Van deze beslissing werd beroep aangetekend bij de bestuursrechter in 's-Hertogenbosch.

-------------------------

Verzonden ii juli 2002

Dienst Algemene en Publiekszaken Advisering & Ondersteuning, afd. Juridische Zaken & Int. Veiligheid
Behandeld door mw. Mr. Sssss
Uw brief van ii mei 2002
Uw kenmerk
Ons kenmerk xxxxxxxxxxx
ii juli 2002

Betreft toezending oordeel met betrekking tot uw klacht.

 

Geachte heer Hhhhhh,

Hierbij zenden wij u ons oordeel over uw bij brief van 18 mei 2002 ingediende klacht. Ingevolge artikel 13, lid 4 van de Algemene klachtenregeling gemeente Eindhoven is dit oordeel tevens een eindoordeel over uw klacht.
Aan wie wij dit oordeel nog meer ter kennisneming hebben toegestuurd staat aan het slot ervan vermeld.

Hoogachtend,
Mw. Mr. Ssssss

Bijlage(n): 1 xxxxxxxxxxxxx

=====================================================================

Commissie voor bezwaren en ombudszaken Ombudskamer (Kamer 3)

Oordeel van de Ombudskamer van de commissie voor bezwaren en ombudszaken als bedoeld in artikel 13, lid 4, van de Algemene klachtenregeling van de gemeente Eindhoven over de klacht van de heer Hhhhhh uit Wwww van ii mei 2002 tegen de wijze van afdoening van zijn klacht van ii maart 2002 door de directeur van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling.

Voorgeschiedenis

Bij schrijven van ii januari 2001 verzoekt de heer Hhhhhh de gemeente hem de namen van de scholen bekend te maken waar zijn kinderen verblijven. Bij schrijven van ii januari 2001 wordt het verzoek door de consulent leerplichtzaken mevrouw B. ter Welie afgewezen in verband met het waarborgen van de privacy van de kinderen. Bij brief van ii maart 2001 dient de heer Hhhhhh hierover een klacht in. Bij schrijven van ii mei 2001 wordt de klacht door de directeur van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling gegrond verklaard, omdat niet onderzocht is of de privacy van het kind zich daadwerkelijk verzet tegen het verzoek.

Bij schrijven van ii augustus 2001 bericht mevrouw Ttttttt de heer Hhhhhh een gesprek te hebben gehad met de kinderen. Aangezien zowel uit het gesprek als uit de brieven is gebleken dat de kinderen het contact met hun vader niet langer op prijs te stellen en verwachten dat het kenbaar maken van schoolgegevens kan leiden tot een confrontatie met hem, is het verzoek wederom afgewezen. Bij brief van ii oktober 2001 (verzonden ii november 2001) is namens uw college aan de heer Hhhhhh medegedeeld dat het verzoek is afgewezen. Bij schrijven van ii maart 2002 heeft de heer Hhhhhh een klacht ingediend over de behandeling van zijn verzoek om informatie door mevrouw Ttttttt en de heer Vvvvvvv. De heer Hhhhhh is van oordeel dat de veronderstelling dat informatieverstrekking een schending oplevert van de privacy van de kinderen, en als gevolg daarvan strijd met de belangen van de kinderen, niet juist is. Bovendien is hij van oordeel dat mevrouw Ttttttt zijn privacy heeft geschonden, door moeder en kinderen in elkanders bijzijn te hebben gedwongen een uitspraak te doen over het verstrekken van de gewenste informatie aan vader. Daarnaast wordt aangegeven dat uit de zeer terughoudende en onwillige brieven door met name de heer Vvvvvvv de feitelijke gang van zaken aan het oog van de heer Hhhhhh is onttrokken. Bovendien is door de enorme traagheid bij de beantwoording van de diverse brieven de impasse in de relatie tussen hemzelf en zijn kinderen wederom ernstig verscherpt.

Bij brief van ii mei 2002 heeft de directeur van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling de klacht deels gegrond verklaard. Ten aanzien van de klacht omtrent de communicatie wordt aangegeven dat het besluit van het college door mevrouw Ttttttt te vroeg bekend is gemaakt, maar dat dit niet tot gevolg zou hebben gehad dat het college een ander besluit zou hebben genomen. De klacht is op dit punt doorgesproken met het team van leerplichtambtenaren zodat communicatiefouten in de toekomst voorkomen kunnen worden. Ten aanzien van de klacht dat de diverse verzoeken om opheldering met onvoldoende voortvarendheid en zorgvuldigheid is opgepakt, wordt de klacht gegrond verklaard. Ten aanzien van de klacht dat door het onderzoek van de leerplichtambtenaar de kinderen tegen hun vader zijn opgezet wordt aangegeven dat niet valt vast te stellen in hoeverre de vraag van de leerplichtconsulent aan de kinderen bijdraagt aan het provoceren van een strijd, aangezien aan deze strijd immers een hele geschiedenis vooraf gaat. Nu niet feitelijk is vast komen te staan dat de kinderen door het onderzoek daadwerkelijk tegen de heer Hhhhhh zijn opgezet wordt de klacht op dit punt ongegrond verklaard.

Tegen deze afdoening van de klacht van ii maart 2002 is de klacht van ii mei 2002 gericht.

In zijn klaagschrift van ii mei 2002 geeft de heer Hhhhhh aan dat zijn eigen privacy is geschonden, omdat de kinderen geconfronteerd werden met zijn verzoek en uitgenodigd zijn om in een gesprek aan te geven hoe zij staan tegenover dat verzoek. Daarnaast wordt aangegeven dat voor zover de klacht tijdens de interne behandeling daarvan gegrond werd verklaard, dat slechts zou zijn gebeurd op grond van de te vroege communicatie door mevrouw Ttttttt, maar dat college geen ander besluit zou hebben genomen, zodat de klacht inhoudelijk ongegrond is verklaard. De heer Hhhhhh is van oordeel dat hier sprake is van een doofpotpraktijk aangezien het college op deze manier door uitkomsten op het "juiste" tijdstip te rapporteren kan voorkomen dat over die uitkomsten kan worden geklaagd. Tenslotte wordt aangegeven dat artikel 1:377c BW een informatieplicht vastlegt voor derden, die slechts komt te vervallen indien het informeren in strijd is met (zwaarwegende) belangen van het kind. De strekking van het artikel is dat het geven van informatie over het kind aan een niet met het gezag belaste ouder die om de informatie verzoekt, een wettelijk belang van het kind is. De wet voorziet uitdrukkelijk niet in een ontheffing van de plicht tot informatieverstrekking indien, zoals in het onderhavige geval, de andere ouder of ook de betrokken kinderen die verstrekking niet op prijs zouden stellen.

Tijdens de besloten hoorzitting van de commissie op ii juni 2002 is door en namens de heer Hhhhhh aangegeven dat de klacht bestaat uit 3 elementen:
- de onzorgvuldigheid bij de afhandeling van de klacht;
- de trage reacties van de gemeente op brieven en vragen;
- het feit dat door de handelwijze van de leerplichtconsulent het conflict tussen beide ouders is verdiept.
Dit laatste heeft er naar zijn oordeel toe geleid dat aan de informatievoorziening van de basisschool met betrekking tot de jongste dochter een einde is gekomen. Daarnaast wordt aangegeven dat er nooit is geklaagd over de te vroege communicatie door de leerplichtconsulent, maar dat er wordt geklaagd over de volgorde van behandeling van het verzoek. Mevrouw Ttttttt heeft eerst de moeder opgeroepen en pas maanden later heeft het college daarover een beslissing genomen. Tenslotte wordt aangegeven dat er geen rekening is gehouden met de privacy van de vader toen tegen de moeder en de kinderen werd gezegd dat hij om informatie had gevraagd. Naar zijn mening had men eerst contact met de school op moeten nemen met de vraag of hen problemen bekend waren.

Namens de directeur is tijdens de zitting aangegeven dat het belang van het kind voorop staat en dat de leerplichtconsulent daarom niet anders kon doen dan in overleg te gaan met betrokkenen. Op een vraag van de commissie hoe de gemeente het verzoek om informatie heeft getoetst wordt aangegeven dat er slechts een juridische toetsing heeft plaatsgevonden. Er is niet bij de school of bij de Raad voor Kinderbescherming geïnformeerd of er wellicht sprake was van een aanleiding om de gevraagde informatie niet af te geven.

Heroverweging

Ten aanzien van de klacht van de heer Hhhhhh omtrent het handelen in strijd met zijn privacy, door de kinderen te confronteren met zijn verzoek om informatie, is de commissie van oordeel dat deze klacht ongegrond is. De commissie acht het een juiste uitvoering van haar taak dat mevrouw Ttttttt naar aanleiding van het verzoek van de heer Hhhhhh contact heeft opgenomen met de kinderen als een manier om te achterhalen of het belang van het kind door verstrekking van de informatie zou worden geschonden.

Wel merkt de commissie hierbij op dat zij de toetsing van het begrip 'belang van het kind' zoals dat is uitgevoerd, onvoldoende acht, nu mevrouw Ttttttt dit alleen heeft laten afhangen van het betreffende gesprek met de kinderen, terwijl het op haar weg had gelegen om hierover tevens informatie in te winnen bij bijvoorbeeld de school en de Raad voor de Kinderbescherming of een dergelijke instantie. De commissie acht de klacht in zoverre dan ook gegrond.

Ten aanzien van de klacht van de heer Hhhhhh dat door het gesprek met de moeder en de kinderen het conflict tussen beide ouders is verdiept, is de commissie van oordeel dat hiervan niet is gebleken. De klacht is in zoverre dan ook ongegrond.

Ten aanzien van de klacht omtrent de trage afhandeling van het verzoek door de gemeente, is de commissie van oordeel dat deze klacht bij de behandeling in eerste instantie door de directeur van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling voldoende is behandeld en bovendien gegrond is verklaard. De commissie acht de klacht in zoverre dan ook ongegrond.

Ten aanzien van de klacht van de heer Hhhhhh omtrent de volgorde van behandelen van het verzoek, is de commissie van oordeel dat deze klacht gedeeltelijk gegrond is. Mevrouw Ttttttt heeft op grond van de leerplichtwet geen eigen bevoegdheden op grond waarvan zij het verzoek om informatie ex artikel 1:377c van het Burgerlijk Wetboek zou mogen afhandelen. Een beslissing omtrent het verzoek dient dan ook door het college van burgemeester en wethouders te worden genomen. Naar het oordeel van de commissie heeft de heer Hhhhhh gelijk door te stellen dat er in de brief van ii augustus 2002 van mevrouw Ttttttt geen sprake is geweest van een te vroege communicatie, maar dat het in de bedoeling lag hiermee het verzoek van de heer Hhhhhh af te wijzen, hetgeen echter niet tot haar bevoegdheid behoort. Het college heeft dan ook bij schrijven van ii oktober 2002 alsnog een beslissing op het verzoek genomen. Ter verduidelijking van de heer Hhhhhh merkt de commissie hierbij op dat een beslissing van het college altijd wordt voorbereid door ambtenaren. In dit geval heeft de heer Vvvvvvv de beslissing van het college voorbereid, waarbij hij zich heeft beroepen op het door mevrouw Ter Welie gedane onderzoek in deze kwestie. Dit is een gebruikelijke gang van zaken, waarbij geenszins sprake is van de door de heer Hhhhhh zogenoemde doofpotpraktijk.

Oordeel

Al met al is de commissie van oordeel dat de afhandeling van de klacht van de heer Hhhhhh van ii maart 2002 niet (geheel) correct is geweest en dientengevolge acht zij de klacht van de heer Hhhhhh dan ook gegrond.

Aanbeveling

Er is geen reden om naar aanleiding van de behandeling van deze zaak een aanbeveling te doen.

Datum: ii juli 2002.

De commissie voor bezwaren en ombudszaken,

Mw. Mr. L.A. Sssss

Dit oordeel wordt ter kennisneming toegestuurd aan:
Burgemeester en wethouders Centrale klachtencoördinator
De heer Hhhhhh
De directeur van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Commissie voor bezwaren en ombudszaken (Kamer 3)