AWB0301

 

Inleiding.

Een niet met het gezag belaste vader verzoekt de Gemeente Eindhoven om de adresgegevens van de scholen waaraan zijn kinderen zijn ingeschreven. Dat verzoek wordt pas in een latere briefwisseling nader gemotiveerd met burgerrechtelijke overwegingen (1:377c BW).
De gemeente weigert de informatie te verstrekken. Door de gemeente gewezen op de mogelijkheid van bezwaar dient vader een bezwaar in, dat vervolgens niet ontvankelijk wordt verklaard omdat het niet is gericht tegen een bestuurlijk besluit.
In hoger beroep wordt de lezing van de gemeente bevestigd.
Verzoeken om informatie aan overheidsinstellingen moeten derhalve van het begin af aan in een bestuursrechtelijke bedding worden geleid.
Onderstaande casus is illustratief voor de snelheid waarmee ambtelijke molens hun pijnlijke werk doen.

------------- ---------------- ----------------- ----

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

Hhhh, wonende te Wwww, eiser, gemachtigde Rrrr,

en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder, gemachtigde mr. Hhhh.

 

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van ii juli 2002 heeft verweerder eiser niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingediende bezwaarschrift gericht tegen verweerders beslissing van ii oktober 2001.
Tegen voornoemd besluit heeft eiser bij schrijven van ii augustus 2002 beroep ingesteld. Verweerder heeft op ii oktober 2002 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van ii december 2002, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

 

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is vader van vier kinderen, Z1984, D1985, Z1988 en D1990. Deze kinderen zijn uit het huwelijk van eiser en mevrouw Vvvv geboren. In 1990 zijn de ouders van de vier voornoemde kinderen gescheiden, waarbij de moeder van de kinderen is belast met het gezag over hen.
Eind 1998 is de tussen vader en de kinderen bestaande omgangsregeling gestopt.

Bij brief van ii januari 2001 heeft eiser bij verweerders Bureau Leerplicht verzocht om de scholen bekend te maken waar zijn vier kinderen op school zitten. Op jj januari 2001 heeft mevr. Wwww, consulent leerplichtzaken van de gemeente Eindhoven, schriftelijk medegedeeld vanwege de waarborging van de privacy van de kinderen geen schoolgegevens van eisers kinderen kenbaar te maken. Bij brief van ii maart 2001 heeft eiser een klacht bij verweerder ingediend vanwege de handelwijze van de leerplichtambtenaar. Tevens heeft eiser gevraagd om het nemen van maatregelen door verweerder om herhaling van gemeentelijke obstructie (weigering verstrekking gegevens) in de toekomst te voorkomen.

Ter behandeling van eisers klacht heeft op ii mei 2001 een hoorzitting plaatsgevonden.

Eisers klacht is gegrond verklaard, omdat niet voldoende is onderbouwd of de privacy van de kinderen daadwerkelijk in het gedrang is gekomen. Het verzoek van eiser is opnieuw in behandeling genomen.

De ex-echtgenote van eiser en hun vier kinderen zijn op ii juli 2001 verschenen op het Bureau Leerplicht. De kinderen hebben toen aangegeven geen prijs te stellen op contact met hun vader. Zij verwachten dat het kenbaar maken van hun schoolgegevens kan leiden tot een door hun ongewenste confrontatie met eiser.

Bij brief van ii oktober 2001 Is het verzoek van eiser afgewezen, omdat het belang van de kinderen zich verzet tegen het verstrekken van de schoolgegevens door bureau Leerplicht aan eiser.

Tegen dit schrijven heeft eiser bij brief van ii november 2001 bezwaar gemaakt. Op ii december 2001 heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift een hoorzitting plaatsgevonden.

Op ii juli 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beslissing van verweerder van ii oktober 2001 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Eisers verzoek omtrent informatieverstrekking is gebaseerd op artikel 1:377c van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel heeft geen speciaal voor het openbaar bestuur geschapen grondslag, zodat het antwoord op het informatieverzoek geen publiekrechtelijke rechtshandeling behelst. Abusievelijk is onder de afwijzing de bezwaarclausule vermeld, aldus verweerder.

In beroep is aangevoerd dat de gevraagde inlichtingen op onwettelijke gronden zijn geweigerd nu niet is aangetoond dat het afgeven van de gevraagde informatie strijdig zou zijn met het belang van de kinderen. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door bij de beslissing de ambtenaren te betrekken tegen wie eiser een klacht had ingediend.

 

De rechtbank overweegt als volgt.

Voordat naar de inhoud van de door of namens eiser aangevoerde grieven gekeken kan worden zal de rechtbank eerst moeten nagaan of verweerders beslissing van ii oktober 2001 te kwalificeren is als een besluit.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De brief van ii oktober 2001 van verweerder is het antwoord op het (schriftelijke) verzoek van eiser. De brief van verweerder bevat weliswaar een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, maar deze beslissing houdt naar het oordeel van de rechtbank geen publiekrechtelijke rechtshandeling in, aangezien het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het weigeren van de gevraagde informatie niet ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Verweerder heeft in deze de bevoegdheid gehanteerd die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen kan worden gebruikt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de beslissing van verweerder om geen informatie te verstrekken niet te kwalificeren is als een besluit in de zin van de Awb. Het bezwaar is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven. Het tegen dit besluit gerichte beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

 

3. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Bbbb als rechter in tegenwoordigheid van Hhhh als griffier en uitgesproken in het openbaar op ii januari 2003.

De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling Rechtspraak Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden : ii jan. 2003